Belang notionele interestaftrek neemt af

De notionele interestaftrek, die werd ingevoerd in 2005, beoogde het fiscale onderscheid tussen eigen vermogen en vreemd vermogen voor vennootschappen weg te werken en de ontwikkeling van kmo’s te versterken.

Vandaag, 13 jaar na de invoering ervan, is de notionele interestaftrek opnieuw gewijzigd, in negatieve zin. De vraag kan gesteld worden of deze maatregel nog voldoende fiscaal interessant is.

1 Berekeningsbasis
De notionele interestaftrek wordt vanaf aanslagjaar 2019 (verbonden aan een belastbaar tijdperk dat ten vroegste aanvangt op 1 januari 2018) toegepast op de aangroei van het risicokapitaal, d.i. grosso modo het eigen vermogen op de balans.  Die aangroei wordt berekend als één vijfde van het positieve verschil tussen (a) het risicokapitaal aan het einde van het belastbaar tijdperk en (b) het jaarlijks bedrag van dit risicokapitaal aan het einde van het vijfde voorafgaande belastbare tijdperk.

Voorbeeld
Een vennootschap heeft op 31 december 2018 een risicokapitaal van 1.000. Op 31 december 2013 bedroeg dit 100. De berekeningsbasis voor de toepassing van de notionele interestaftrek bedraagt 180 (900/5). Een nieuw opgerichte vennootschap zal tijdens de eerste vijf jaar het volledige risicokapitaal per einde boekjaar als berekeningsbasis kunnen gebruiken aangezien het in mindering te brengen risicokapitaal nihil is. Wanneer een vennootschap een negatief risicokapitaal had op het einde van het vijfde voorafgaande belastbare tijdperk, zal een verbetering daarvan ook als een positieve toename worden beschouwd.

Voorbeeld

De overige regels inzake vaststelling van het risicokapitaal (d.i. de uitsluiting van bepaalde eigen vermogensbestanddelen en activa) zijn ongewijzigd gebleven. Ook de overgangsregeling (60,00%-beperking bij een belastbare winst boven 1 miljoen euro) voor het ‘overschot’ aan notionele interestaftrek opgebouwd tot en met aanslagjaar 2012) blijft behouden. De aftrek van dat ‘overschot’ kan evenwel voortaan verder beperkt worden door de invoering van een andere fiscale maatregel, d.i. de ‘korf’-beperking (aanwending van bepaalde fiscale aftrekken tot 1 miljoen euro, vermeerderd met 70,00% van de resterende winst die 1 miljoen euro overschrijdt).

2 Tarief
Het tarief voor aanslagjaar 2019 wordt vastgesteld op 0,746%. De verhoging voor kmo’s wordt behouden en bedraagt daardoor 1,246%. Gelet op de lage rente is de financiering met eigen vermogen nog steeds min of meer even interessant als de financiering met vreemd vermogen.

3 Double dip
Een specifieke antimisbruikbepaling moet komaf maken met double-dipstructuren.  Volgende situatie wordt geviseerd: een verbonden vennootschap gaat een lening aan waarvan de interesten fiscaal aftrekbaar zijn en gebruikt deze lening vervolgens om een kapitaalverhoging bij een gelieerde vennootschap te onderschrijven. Deze inbreng zorgt voor een stijging van het eigen vermogen bij laatstgenoemde vennootschap waarop zij de notionele interestaftrek kan toepassen. Voortaan zou deze inbreng in mindering moeten worden gebracht bij de vaststelling van het kwalificerende risicokapitaal.

4 Conclusie
De initiële notionele interestaftrek, internationaal gepromoot door de toenmalige regering, heeft veel van zijn glorie verloren. De zware budgettaire last en het beperkt belang ervan voor kmo’s hebben al meermaals vragen doen rijzen over zijn verdere bestaan. De afbouw van deze fiscale maatregel lijkt de aankondiging voor een uiteindelijke dood te zijn.

Kim Bronselaer en Justine Bouckaert

Tekst en beeld | De Langhe Advocaten
Op de foto: Frank De Langhe.